Willy Lindwer zit nog op de middelbare school als hij erachter komt wat hij wil: filmen en documentaires maken. Hij besluit naar de filmacademie te gaan en specialiseert zich daar in camerawerk en regie. Zo kan hij de verhalen vertellen en doorgeven over het jodendom, het joodse leven en de Tweede Wereldoorlog. In 1971 studeert hij af op een documentaire over de rol van de Nederlandse politie tijdens de bezettingstijd. Een gesprek over hoe zijn droom werkelijkheid is geworden.

Een Emmy Award winnen: dat is tot nog toe niet heel veel Nederlanders gelukt. Maar Willy Lindwer did it: hij kreeg al in 1988 de prestigieuze Amerikaanse prijs voor ‘buitengewone prestaties op televisie’ uitgereikt. Hij had De laatste zeven maanden van Anne Frank gemaakt, een documentaire over de rol van vrouwen, tijdens de Tweede Wereldoorlog, in concentratiekampen. ‘Anne Frank is, net als mijn tante, in een concentratiekamp geëindigd,’ vertelt hij tegen JCK Magazine. ‘In die tijd, de jaren tachtig, was over hun situatie nog niets bekend.’ 

De documentaire zou de eerste zijn van een lange reeks over de Tweede Wereldoorlog. ‘Ik ben opgegroeid in een traditionele Joodse familie, die vol verhalen zat van voor de oorlog, maar ook van tijdens de Sjoa. Bij ons thuis werd open gesproken over wat ons volk is aangedaan. Daardoor ben ik nauw betrokken geraakt bij dit onderwerp en werk ik al vele jaren met veel passie aan deze documentaires.’

Credits: Amsterdamse filmmaker Willy Lindwer, uit zijn fotoarchief via JCK.nl

Het kistje van grootvader Wolf

Het letterlijk onder ogen krijgen van de waarheid kan emotioneel zwaar zijn, merkte Lindwer. Na de oorlog kreeg hij van zijn moeder een ijzeren geldkistje waarin allerlei eigendommen van zijn grootvader Wolf zaten. ‘Toen ik het kistje kreeg, lukte het me nog niet om het open te maken. Ik vond het te heftig.’ 

Dat moment kwam pas in 2017, toen hij naar Delatyn reisde – nu Oekraïne en vroeger Oost-Galicië. ‘Van de lokale rabbijn kreeg ik toen een grote doos vol met potjes, pannen, kleine juwelen en meer. Het waren allemaal bezittingen van joden die met de kogel vermoord zijn door de Duitsers en hun einde vonden in een massagraf in het bos. Aangrijpend, ontzettend aangrijpend. Toen ik op de bodem van die doos vijf kogelhulzen vond, besefte ik sterker dan ooit: dichter bij de moord op mijn grootmoeder Ryfka en haar familie kan ik niet komen.’ Zoals Lindwer eerder dit jaar zei in een interview met het Reformatorisch Dagblad: ‘Het zou zo maar kunnen dat met één van die kogels mijn grootmoeder is vermoord.’

Maar liefst anderhalf miljoen joden in Oost-Europa kwamen tijdens de Sjoa aan hun einde door de kogel: omdat ze werden doodgeschoten. In Nederland is daar weinig over bekend: Nederlandse joden werden later met gas vermoord, in gaskamers.


De tentoonstelling ‘Kogels, verraad en brieven. Kroniek van een joodse familie’ is te zien van 28 oktober t/m 24 februari in het Nationaal Holocaust Museum. Meer informatie via: jck.nl